Tekst van Toon Tellegen voorgedragen op de opening

Op de opening las curator Karin Arink de volgende tekst voor, een kort verhaal van de onvolprezen Toon Tellegen, uit de bundel Langzaam, zo snel als zij konden (1990):

 

[p. 28-29]

[XI]
De mier en de krekel zaten aan de rand van de rivier en spraken over voelsprieten, avonturen, verjaardagen, honing en de zon. Het was een warme dag en nadat zij urenlang met elkaar hadden gesproken zwegen zij en deden zij hun ogen dicht. Maar na een tijdje schraapte de krekel zijn keel. De mier meende dat de krekel iets wilde gaan doen, maar hij verstond hem niet goed. Voor alle zekerheid zei hij binnensmonds: ‘Nee, liever morgen.’ Dat kan nooit kwaad, dacht hij. ‘Morgen?’ vroeg de krekel. Hij deed zijn ogen open. ‘Wat is dát nou weer?’ ‘Dat is de dag na vandaag,’ zei de mier. ‘Dus morgen.’ ‘Vandaag??’ zei de krekel. ‘Nooit van gehoord.’ ‘Weet je niet wat vandaag is?’ vroeg de mier. ‘Nee,’ zei de krekel. ‘Dat is nu,’ zei de mier. ‘Nu.’ En hij tikte daarbij met zijn rechter voorpoot op de grond. De krekel keek naar het kleine kuiltje dat onder de voorpoot van de mier ontstond en zei: ‘Nu??? Het wordt steeds mooier.’ De mier keek om zich heen en zijn oog viel op de kikker die juist op een blad van de waterlelie naar de lucht zat te staren. ‘Kikker,’ zei de mier. ‘Je moet ons helpen.’ ‘Aha,’ zei de kikker. Hij vond dat het mooiste woord dat hij kende en hij gebruikte het alleen als het hem onverwachts inviel. ‘Jij weet toch wel wat nu is?’ vroeg de mier. Nu heel voorzichtig zijn, dacht de kikker, terwijl hij vriendelijk knikte. ‘Ja hoor,’ zei hij. ‘Ja.’ Dat is vast het beste, dacht hij, terwijl hij haastig zijn herinneringen afzocht naar iets dat nu kon zijn. De maan vond hij, de waterval, kroos, feesten, de reiger, maar nu… ‘Zie je wel,’ zei de mier. ‘Iedereen weet wat nu is. Iedereen.’ ‘Behalve ik,’ zei de krekel. ‘Wat leuk. Dan ben ik de enige. Dan moet je het me ook maar niet vertellen, mier.’ Hij stopte zijn vingers in zijn oren en holde met grote sprongen weg. De mier bleef achter aan de oever van de rivier. De kikker verdween voor alle zekerheid maar onder de waterlelie en de zon ging langzaam en voorzichtig onder, achter het bos. Toen het ten slotte helemaal donker was vroeg de mier zich af of hij eigenlijk wel zeker wist wat nu was. Het is wel iets eigenaardigs, dat nu, dacht hij. Misschien is het wel iets anders. Er kwamen rimpels in zijn voorhoofd. Toen stond hij vlug op om de eekhoorn op te zoeken. Laat ik maar aan honing denken, dacht hij. Dát is nooit iets anders.

 

Bron: http://www.dbnl.org/tekst/tell003lang01_01/tell003lang01_01_0011.php